Ene me hesp…

Ik ben een muggenzifter, kommaneuker of haarklover op het gebied van taal. Ik kan er werkelijk waar niet tegen, tegen onverzorgd schrijven. Ik doel hiermee uiteraard niet op hanenpoten of gekribbel, neen, ik heb het over het geschreven woord. De schrijftaal, met andere woorden. Schrijffouten bezorgen me grijze haren, foute zinsconstructies doen me steigeren en dt-fouten brengen me telkens op de rand van een zenuwinzinking. Op het gebied van mondelinge taal daarentegen, ben ik helemaal niet zo’n taalpurist. Niet dat ik iets heb tegen Algemeen Nederlands, verre van zelfs. Roos Van Acker heeft een taalgebruik, en uitspraak, om jaloers op te zijn. En het klinkt zo naturel. Als ik het Algemeen Nederlands in de mond neem, klinkt dat verre van naturel. Telkens ik mooi praat trekt mijn mond zich in allerlei vreemde posities, begin ik over woorden te struikelen en ben ik me plotseling heel erg bewust van het feit dat ik een tong, tanden en lippen heb. Overdreven articulatie komt eveneens aan bod. Daarbij komt ook nog dat ik het geen drie zinnen volhoud. De eerste drie mensen die ik tegenkom spreek ik nog aan met je en jij, maar vanaf de vierde ga ik faliekant de mist in. Deze persoon wordt steevast, naar oude en jarenlang ingeburgerde gewoonte, gewoonweg ‘ge’ of ‘gij’ genoemd.

Mooi AN, praten, het is niets voor mij. Nu moet je niet denken, lieve lezer, dat ik het plaatselijke dialect perfect beheers. Neen, verre van. Ik spreek gewoon een of ander Vlaams tussentaaltje, zoals zovelen. Dat tussentaaltje lijkt uiteraard vele malen meer op het Algemeen Nederlands, dan op het dialect. Jammer vind ik dat, dat ik geen Leuvens kan. Want schoon vind ik dat, dialect. Ik vind het fantastisch om anderen ‘plat te horen klappen’. Ik ken een paar woorden en uitdrukkingen, die ik regelmatig gebruik, want dialectische woorden drukken vaak honderden keren beter de dingen uit dan de standaard Nederlandse variant. Iemand die teveel alcoholische consumpties tot zich genomen heeft, bijvoorbeeld, noemt men volgens Van Dale dronken. In’t Leuvense (en waarschijnlijk ook in nog andere landsdelen, maar zo ver reikt mijn kennis der dialecten niet) zeggen we: diene heeft een goe stuk in zijn kloten, of nog meer zeggend: hij is goe getapesseerd. Nog een voorbeeld. Ik ben een babbelkous, als ik iemand tegenkom blijf ik negen kansen tien veel te lang praten. Lameren zeggen ze hier.

Een braaf manneke, de categorie erger als een seutje, is een zebedeeke. Stel je er gerust maar een mager ventje met korte broek, sandalen, inclusief witte sokken, en een brilletje bij voor. Eentje dat amper zijn mond durft open te doen als je iets vraagt. Een seut der seuten, ofzoiets. Het tegenovergestelde van het zebedeeke is het pateeke. Een pateeke is naast een zalig lekker gebakske ook iemand, die op zijn zachtst gezegd, niet braaf te noemen is. Een varken, een kapoen, een stouterik, een feestbeest. Dat allemaal gecombineerd. En geef eerlijk toe, een kabberdoesjke klinkt toch schoner en gezelliger als een hoerenkot. Bij hoerenkot denk ik aan vitrines en stijlloze, schaarsgeklede dames poserend of dansend in afschuwelijk neonlicht. Als ik kabberdoesjke hoor denk ik aan een gezellige ruimte met intieme tafeltjes, rode lampjes, sexy muziek en lieve madammen. Nog eentje. Nen taffelaar treuzelt toch honderd keer harder en is toch duizend keer trager dan gewoonweg een treuzelaar? Nen toeker werkt harder dan een harde werker. In de vis zitten geen graten, maar vlimmen. In de keuken, of de garage staat een pombak, geen spoelbak. Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat ik moest vragen en opzoeken wat het correcte woord voor pombak was. Ik gebruik het dus nooit.

Naast de woorden die op een meer plastische manier de dingen uitdrukken dan de standaardtaal, bevatten dialecten ook steeds woorden die geen synoniemen kennen in het standaardnederlands. Met je mes en vork in je bord wat zitten mengen, pletten en roeren als het eten dat op je bord ligt niet echt je ding is, daar bestaat bij mijn weten geen woord voor dat ik terug vind in de woordenboek. Viggelen zeggen ze bij ons. Dekt de lading volledig, als je het mij vraagt. Ken jij nog zo’n woorden, lieve lezer, die volgens jou niet tot onze algemene taal behoren maar wel perfect iets omschrijven of door jou veel gebruikt worden? Sluipen er in jouw tussentaaltje ook een heleboel uitdrukkingen en woorden van dialectische komaf?

Binnenkort is het weer Leuven Kermis. Het moment dat het Leuvens weer wat meer te horen valt op de straten en pleinen. Ik spits al vast mijn oren, en probeer er wat van op te steken. En als dat opsteken niet lukt, geniet ik er maar gewoon van. Als afsluiter, en om eventjes helemaal in de kermissfeer te komen, de grootste hit van een rasechte Leuvenaar in echt, plat Leuvens! Fantastisch nog.

Lekskes,

Ann-Sophie

4 gedachtes over “Ene me hesp…

  1. Beste taalpurist, vergeef mij, maar ik heb een taalfoutje ontdekt waar zelf mijn haren van gaan rijzen: “Sluipen er in jou tussentaaltje”.

    Dit moet jouW zijn. Met een ‘wee’ achteraan. Jou, zonder ‘wee’, is persoonlijk voornaamwoord. Hier duidt het bezit aan (namelijk het tussentaaltje dat van jou is, hier dan weer zonder ‘wee’. Maar in dit geval moet er dus een bezittelijk voornaamwoord, met ‘wee’, zijnde: ‘jouw’.

    Raak je er nog aan uit?

    Het wordt tijd dat het schooljaar weer begint zodat ik als lkr Nederlands mijn lln kan lastigvallen met dit soort gezeur ipv jou 🙂

    Like

Wat jij mij wil zeggen.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s